Meditatie - Juni

Gepubliceerd op 29 mei 2026 om 10:30

Het menselijk leven 

”Gij hebt, O Vader van het leven, de aarde aan de mens gegeven” is gezang 823 in het Nieuwe liedboek. Het stond ook in het oude als gezang 480. Maar in het Nieuwe Liedboek heeft het ook een titel meegekregen: ’Het menselijk leven’ en die heeft de dichter Jan Wit in zijn eigen bundel ’Ministeriale’ aan het lied gegeven. 

Het lied is geïnspireerd door gezang 207 uit de Hervormde Bundel van 1938: Gij hebt, o albestierend koning, de plaats bestemd van ieders woning. Dit lied vond de commissie die de gezangen selecteerde voor het oude liedboek van 1973 echt te slecht. Maar Jan Wit zag er toch iets in. Het ging over het wonen van de mens op aarde en dat deed geen enkel ander lied. Hij stelde voor om op dezelfde melodie een nieuw lied te schrijven over dit thema en dat is dit gezang geworden. ”De albestierend koning” is de ”Vader van het leven” geworden. Dat is een hele verbetering. God is degene die het leven geeft. De vraag die deze zin oproept is: wat is dat dan, dat leven waarvan God de Vader is? Is dat het biologisch leven of is dat het leven in verbinding met God? De onrust die die vraag oproept, bepaalt dit gezang.
De mensheid heeft de aarde van de Vader van het leven gekregen. Maar daarnaast hebben we het Woord van God ontvangen. We zijn wezens die begiftigd zijn met taal en daardoor kunnen we het Woord van God zelf horen. Dat maakt ons tot getuige van Gods Geest. We kunnen de werkzaamheid van God herkennen, omdat we het Woord van God kunnen vernemen en het is het doel van ons leven: getuige te zijn van wat God doet.

Vers 2 grijpt terug op het oude gezang 270 van de Hervormde bundel. God wijst ons onze woonplaats aan. De plek waar wij wonen en de tijd waarop wij op aarde zijn, wordt door God bepaald. Toch kennen wij als mensen zoveel angsten. Hoewel wij vrij kunnen zijn in wat wij doen en ons daarbij ook veilig kunnen weten, zijn we toch bang voor al de dingen die ons kunnen overkomen. Angst is een heel belangrijk motief van menselijk handelen. Kijk maar naar de huidige politieke situatie. Wij hadden vrij en veilig kunnen zijn, maar de angst is ons om het hart geslagen en dat heeft ernstige gevolgen. De wilde dieren, de hele natuur zijn wij de baas. Wij overheersen die. We doorzoeken alle plekken van onze planeet en daarbuiten. Er wonen mensen op de Zuidpool en er dalen mensen af op de diepste plekken van de oceaan. Alles onderzoeken we. We willen alles leren kennen en welk voordeel we daarvan kunnen krijgen. We snellen voort op hoge winden, stelt Jan Wit. Ik denk daarbij aan de luchtvaart, maar ook andere vormen van gemotoriseerd vervoer waarmee we ons razendsnel kunnen verplaatsen. Met die drang om de hele aarde te verkennen gaat het ook wel eens fout. Dan treffen we de dood die we juist wilden ontlopen. Zo vindt hij onverhoeds de dood.

Dat is een moderne interpretatie van het derde vers. Maar Jan Wit schrijft dat het een korte en vrije weergave is van het slot van het eerste koor van Antigone van Sophokles. Deze tragedie komt uit het jaar 442 voor Christus. Uit de klassieke oudheid dus. Deze regels pas ik toe op onze huidige situatie alsof dat heel vanzelfsprekend is, maar ze blijken al duizenden jaren oud te zijn. Er is kennelijk aan het menselijk leven, zoals de titel van lied luidt, niets veranderd. Het probleem van het bestaan als intelligent en talig wezen, met ethisch besef is in duizenden jaren niet wezenlijk veranderd, maar de techniek maakt de problemen wel acuter. Wie zijn wij als mens? Waarvoor leven wij?

En dat is een geheim, stelt het vierde vers. Wij willen onze levensbestemming en vervulling vinden en dat zoeken wij in de dingen om ons heen. Ik denk nu aan computers, auto’s, verre reizen en alle andere dingen die bij ons consumentisme horen. Maar die geven ons onze levensbestemming niet. Ze stoten ons uit, zegt het lied, ook al gaan wij op alle dingen in. En zo blijven we rusteloos zoeken en verdwalen. Tegenwoordig met internet en kunstmatige intelligentie is dat ook weer heel goed te zien. Er is maar 1 ding dat ons echt onze bestemming kan geven en dat is Gods Woord. Het verhaal van de schepping, de geschiedenis van Israël dat uitloopt op het verhaal van Jezus’ leven, sterven en opstanding. Dat geeft aan ons leven zin zonder dat we het helemaal kunnen verwoorden. En het wijst ons op de woning in het hemels Jeruzalem. Daar horen wij. Dat brengt dat rusteloos zoeken en verdwalen tot rust. Dan wonen wij echt. Hier zijn we maar vreemdeling. Alle dingen stoten ons immers uit. We horen er niet bij. Dat besef dat we maar vreemdeling zijn hier op aarde, dat betekent dat we onze aarde niet misbruiken maar ons matigen. Het stelt grenzen aan ons gebruik. We zijn maar vreemdeling hier, dan heb je geen recht om alles helemaal op te maken. Dat is de paradox van het wonen op het aarde. De aarde is onze woning door God gegeven en toch blijven we hier vreemdeling die met respect en zelfbeperking met de dingen moet omgaan. Onze werkelijke woonplaats komt nog in de stad waar God het fundament van legt.

Marco Roepers

1. Gij hebt, o Vader van het leven,
de aarde aan de mens gegeven,
het land, de zee is zijn domein.
Gij hebt hem aan het woord doen komen
om tussen werkelijkheid en dromen
getuige van uw Geest te zijn.

2. Uw wijsheid en uw welbehagen
bepalen ’s mensen levensdagen
en wijzen hem zijn woonplaats aan.
Hij is ten prooi aan duizend vrezen,
toch mag hij vrij en veilig wezen
en heersen over het bestaan.

3. Hij overmant de wilde dieren,
vaart uit op zeeën en rivieren,
doorzoekt der aarde donkere schoot.
Ja, hij snelt voort op hoge winden
om de allerlaatste grens te vinden.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.

4. Door een geheimenis omsloten,
door alle dingen uitgestoten,
gaat hij op alle dingen in.
Alleen uw woord geeft aan zijn falen,
zijn rustloos zoeken en verdwalen
een onuitsprekelijke zin.

5. O God, wij bouwen als ontheemden,
wij wonen en wij blijven vreemden,
bestemd voor hoger burgerrecht.
Wil ons, o koning der getijden,
een woning in de stad bereiden
waar Gij het fundament van legt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.